De onderschatting van het rechts-populisme
[Onderstaand artikel is eerder gepubliceerd in de Groene Amsterdammer van 5 mei 2011, als onderdeel van de special 'Waar zwijgen politici over?']
Het succes van radicaal rechts populistische partijen blijft Nederlandse journalisten, politici, en wetenschappers bezighouden. Met enige regelmaat proberen zij de eventuele dreiging die van het radicaal rechts populisme uitgaat in kaart te brengen. Zo analyseerde het Wetenschappelijk Instituut van het CDA recent de opkomst van het radicaal rechts populistische partijen in het themanummer Populisme in de Polder, waarbij door verschillende CDA prominenten de nadruk werd gelegd op het feit dat deze partijen zeer kritisch staan tegenover rechtstatelijke instituties en principes. In de Groene Amsterdammer van 31 maart 2011 werd dit standpunt door verschillende politicologen en rechtsgeleerden onderschreven.
Ondanks dat veel Nederlandse commentatoren dus onderkennen dat de opkomst van het populisme een uitdaging vormt voor de liberale democratie, blijken zij dikwijls van mening dat er niet direct hoeft te worden ingegrepen. Zij veronderstellen dat het populisme een tijdelijk fenomeen is, dat goedschiks of kwaadschiks weer zal verdwijnen. Zo verklaarde Frits Bolkenstein in het verleden dat hij verwachtte dat de Wilders “een beperkte houdbaarheidsdatum” heeft en niet meer dan een “kortstondige komeet” aan het Nederlandse politieke firmament zal zijn. Ook Fons van de Vijver, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Tilburg, suggereerde onlangs dat Wilders niet meer dan “een eendagsvlieg” zal blijken te zijn, omdat deze partij geen oplossingen voor maatschappelijke problemen aandraagt.
Om hun stellingname te schragen verwijzen bovenstaande commentatoren vaak naar de Britse politicoloog en populisme expert Paul Taggart, die in een recent interview in het NRC Handelsblad beweerde dat het populisme een zelf-limiterend karakter heeft. Hij claimt dat de opkomst van het populisme het gevolg is van “een tijdelijke communicatiestoornis tussen kiezers en gekozenen”. Dientengevolge maken populisten doorgaans een explosieve en onverwachte groei door, maar verdwijnen zij even snel weer van het politieke toneel. Volgens Taggart is het populisme daarom een vergankelijk fenomeen, waar niet te veel aandacht aan moet worden geschonken.
Als naar de geschiedenis van het populisme in West-Europa wordt gekeken, lijkt Taggart in eerste instantie gelijk te hebben. In de naoorlogse jaren kwam het populisme slechts sporadisch voor in West-Europa en verdween het altijd even snel als het was opgekomen. De populistische bewegingen van boer Koekoek en de Fransman Pierre Poujade waren slechts een kort leven beschoren. De huidige populistische tijdsgeest kan echter niet met die van de jaren 50 of 70 worden vergeleken. Radicaal rechts populistische partijen hebben een coherent en gedetailleerd politiek programma, waar het populisme slechts één onderdeel van is. Bijgevolg hebben de meeste radicaal rechts populistische partijen een bijzonder loyale schare volgers weten te verwerven, die verkiezing op verkiezing deze partijen blijven steunen. Uiteraard kan het zo zijn dat deze kiezers de partij tijdelijk de rug toekeren wanneer de partij door interne strijd wordt verscheurd, zoals tussen 2000 en 2005 gebeurde bij de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) en recenter bij het Vlaams Belang (VB), of wanneer de leider niet langer kan overtuigen, zoals de afgelopen jaren te zien was aan de electorale teloorgang van het Front National (FN).
Maar wanneer deze problemen zijn opgelost keren kiezers echter snel weer in de schoot van de partij terug. Sinds de FPÖ haar zaakjes weer op orde heeft laten de verkiezingsresultaten van de partij een stijgende lijn zien en ook het FN staat er goed voor in de peilingen nu Marine Le Pen het leiderschap van haar vader heeft overgenomen. Wanneer radicaal rechts populistische partijen onverhoopt toch het vertrouwen van de kiezer definitief verliezen en uit het parlement verdwijnen, staan nieuwe radicaal rechts populistische partijen in de coulissen klaar om hen op te volgen. Zo nam de Bündnis Zukunft Österreich (BZÖ) in 2005 tijdelijk het estafettestokje over van de FPÖ, verving in Denemarken Pia Kjaersgaard’s Dansk Folkeparti (DF) de Fremskridtspartiet (FrP) van Mogens Glistrup toen deze in diskrediet raakte, en liepen veel kiezers van het VB bij recente verkiezingen over naar de even populistische Lijst Dedecker (LDD).
Ook de claim dat radicaal rechts populistische partijen hun toon zullen matigen wanneer zij uitgenodigd worden om toe te treden tot een regeringscoalitie, als gedoogpartij of lid van het kabinet, blijkt niet op feiten te berusten. Wanneer radicaal rechts populistische partijen bestuursverantwoordelijkheid nemen leidt dit niet automatisch tot het inkapselen van deze partijen in het establishment. Uiteraard viseren zij wanneer zij eenmaal op het pluche zitten niet langer de politieke elite as such. Een dergelijke algemene anti-establishment kritiek zou hun regeringsdeelname tenslotte ongeloofwaardig maken. Dit betekent echter niet dat zij minder populistisch worden. Partijen als de DF, de Lega Nord (LN), en de Partij voor de Vrijheid (PVV) blijken wonderwel in staat om zichzelf te presenteren als de oppositie in de regering, met name door hun pijlen te richten op de linkse kerk die het hen onmogelijk maakt hun regeringsagenda uit te voeren. Tot de leden van deze kerk behoren journalisten van kwaliteitskranten en de publieke omroep die te kritische over radicaal rechts populistische partijen, rechters die hun beleid te enthousiast aan Europese verdragen toetsen en wetenschappers die vanuit hun ivoren torens met enig dedain naar de nieuwe regeringspartijen kijken.
Het idee dat radicaal rechts populistische partijen eendagsvliegen zijn blijkt dus niet op waarheid te berusten en het populisme zal op korte termijn niet verdwijnen. Alleen al om deze reden moet er beter nagedacht worden over hoe er het beste op de opkomst van radicaal rechts populistische partijen kan worden gereageerd. Daarnaast worden veel beschouwingen over het recente succes van het radicaal rechts populisme, zoals bijvoorbeeld de verzameld in het bovengenoemd themanummer Populisme in de Polder, gekenmerkt door een eenzijdige focus op de uitdagingen waarvoor het populisme de liberale democratie stelt. Door deze focus wordt vaak vergeten dat het populisme niet de kern van het gedachtegoed van radicaal rechts populistische partijen vormt. Deze kern bestaat namelijk uit een combinatie van nationalisme en xenofobie, door de Nederlandse politicoloog Cas Mudde ook wel aangeduid met de term nativisme. Nativisten en populisten hebben met elkaar gemeen dat zij een wereldbeeld hanteren waarin de goeden tegenover de slechten staan. Op deze wijze promoten zij het dichotoom denken (“wij” versus “zij”) en dragen zij bij aan maatschappelijke en politieke polarisering. Bovendien verhoudt ook het nativisme zich slecht tot de liberale democratie, het heeft tenslotte geen boodschap aan constitutioneel vastgelegde minderheidsrechten. De uitdaging waarvoor radicaal rechts populistische partijen liberale democratieën stellen wordt door Nederlandse commentatoren derhalve systematisch onderschat.